Psalmen 119
1 Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan. 2 Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken; 3 Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
4 HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. 5 Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren! 6 Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
7 Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben. 8 Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer. 9 Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord. 10 Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen. 11 Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou. 12 HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
13 Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds. 14 Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom. 15 Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten. 16 Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten. 17 Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware. 18 Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet. 19 Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. 20 Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd. 21 Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen. 22 Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden. 23 Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht. 24 Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden. 25 Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
26 Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen. 27 Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
28 Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord. 29 Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
30 Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld. 31 Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet. 32 Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
33 He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe. 34 Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35 Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid. 37 Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen. 38 Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is. 39 Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed. 40 Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41 Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging; 42 Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
43 En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten. 44 Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.
45 En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb. 46 Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen. 47 En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. 48 En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten. 49 Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. 50 Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt. 51 De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken. 52 Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost. 53 Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten. 54 Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
55 HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard. 56 Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 57 Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren. 58 Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
59 Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen. 60 Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden. 61 De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten. 62 Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid. 63 Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden. 64 HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
65 Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord. 66 Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd. 67 Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord. 68 Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
69 De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte. 70 Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet. 71 Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde. 72 De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. 73 Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere. 74 Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. 75 Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
76 Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht. 77 Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
78 Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden. 79 Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen. 80 Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
81 Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. 82 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten? 83 Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten. 84 Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
85 De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet. 86 Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij. 87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten. 88 Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
89 Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen. 90 Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan; 91 Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten. 92 Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan. 93 Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt. 94 Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht. 95 De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen. 96 In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd. 97 Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98 Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij. 99 Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn. 100 Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 101 Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden. 102 Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
103 Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond! 104 Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden. 105 Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad. 106 Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid. 107 Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord. 108 Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
109 Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet. 110 De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
111 Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid. 112 Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe. 113 Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief. 114 Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt. 115 Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
116 Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope. 117 Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
118 Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen. 119 Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief. 120 Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
121 Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers. 122 Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken. 123 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
124 Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen. 125 Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen. 126 Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
127 Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. 128 Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat. 129 Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel. 130 De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende. 131 Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden. 132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen. 133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. 134 Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden. 135 Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen. 136 Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
137 Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht. 138 Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden. 139 Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben. 140 Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief. 141 Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet. 142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143 Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen. 144 De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
145 Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren. 146 Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
147 Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt. 148 Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten. 149 Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
150 Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet. 151 Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid. 152 Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
153 Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten. 154 Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging. 155 Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet. 156 HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten. 157 Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet. 158 Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden. 159 Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid. 160 Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid. 161 Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord. 162 Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt. 163 Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief. 164 Ik loof U zevenmaal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid. 165 Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot. 166 O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
167 Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief. 168 Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
169 Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord. 170 Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging. 171 Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben. 172 Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
173 Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren. 174 O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking. 175 Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen. 176 Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalm 119
א (Alef)
1 How blessed are those whose actions are blameless,
who obey the law of the Lord.
2 How blessed are those who observe his rules,
and seek him with all their heart,
3 who, moreover, do no wrong,
but follow in his footsteps.
4 You demand that your precepts
be carefully kept.
5 If only I were predisposed
to keep your statutes!
6 Then I would not be ashamed,
if I were focused on all your commands.
7 I will give you sincere thanks,
when I learn your just regulations.
8 I will keep your statutes.
Do not completely abandon me!
ב (Bet)
9 How can a young person maintain a pure life?
By guarding it according to your instructions!
10 With all my heart I seek you.
Do not allow me to stray from your commands!
11 In my heart I store up your words,
so I might not sin against you.
12 You deserve praise, O Lord!
Teach me your statutes!
13 With my lips I proclaim
all the regulations you have revealed.
14 I rejoice in the lifestyle prescribed by your rules
as if they were riches of all kinds.
15 I will meditate on your precepts
and focus on your behavior.
16 I find delight in your statutes;
I do not forget your instructions.
ג (Gimel)
17 Be kind to your servant!
Then I will live and keep your instructions.
18 Open my eyes so I can truly see
the marvelous things in your law!
19 I am like a foreigner in this land.
Do not hide your commands from me!
20 I desperately long to know
your regulations at all times.
21 You reprimand arrogant people.
Those who stray from your commands are doomed.
22 Spare me shame and humiliation,
for I observe your rules.
23 Though rulers plot and slander me,
your servant meditates on your statutes.
24 Yes, I find delight in your rules;
they give me guidance.
ד (Dalet)
25 I collapse in the dirt.
Revive me with your word!
26 I told you about my ways and you answered me.
Teach me your statutes!
27 Help me to understand what your precepts mean!
Then I can meditate on your marvelous teachings.
28 I collapse from grief.
Sustain me by your word!
29 Remove me from the path of deceit!
Graciously give me your law!
30 I choose the path of faithfulness;
I am committed to your regulations.
31 I hold fast to your rules.
O Lord, do not let me be ashamed!
32 I run along the path of your commands,
for you enable me to do so.
ה (He)
33 Teach me, O Lord, the lifestyle prescribed by your statutes,
so that I might observe it continually.
34 Give me understanding so that I might observe your law,
and keep it with all my heart.
35 Guide me in the path of your commands,
for I delight to walk in it.
36 Give me a desire for your rules,
rather than for wealth gained unjustly.
37 Turn my eyes away from what is worthless!
Revive me with your word!
38 Confirm to your servant your promise,
which you made to the one who honors you.
39 Take away the insults that I dread!
Indeed, your regulations are good.
40 Look, I long for your precepts.
Revive me with your deliverance!
ו (Vav)
41 May I experience your loyal love, O Lord,
and your deliverance, as you promised.
42 Then I will have a reply for the one who insults me,
for I trust in your word.
43 Do not completely deprive me of a truthful testimony,
for I await your justice.
44 Then I will keep your law continually
now and for all time.
45 I will be secure,
for I seek your precepts.
46 I will speak about your regulations before kings
and not be ashamed.
47 I will find delight in your commands,
which I love.
48 I will lift my hands to your commands,
which I love,
and I will meditate on your statutes.
ז (Zayin)
49 Remember your word to your servant,
for you have given me hope.
50 This is what comforts me in my trouble,
for your promise revives me.
51 Arrogant people do nothing but scoff at me.
Yet I do not turn aside from your law.
52 I remember your ancient regulations,
O Lord, and console myself.
53 Rage takes hold of me because of the wicked,
those who reject your law.
54 Your statutes have been my songs
in the house where I live.
55 I remember your name during the night, O Lord,
and I will keep your law.
56 This has been my practice,
for I observe your precepts.
ח (Khet)
57 The Lord is my source of security.
I have determined to follow your instructions.
58 I seek your favor with all my heart.
Have mercy on me as you promised!
59 I consider my actions
and follow your rules.
60 I keep your commands
eagerly and without delay.
61 The ropes of the wicked tighten around me,
but I do not forget your law.
62 In the middle of the night I arise to thank you
for your just regulations.
63 I am a friend to all your loyal followers,
and to those who keep your precepts.
64 O Lord, your loyal love fills the earth.
Teach me your statutes!
ט (Tet)
65 You are good to your servant,
O Lord, just as you promised.
66 Teach me proper discernment and understanding!
For I consider your commands to be reliable.
67 Before I was afflicted I used to stray off,
but now I keep your instructions.
68 You are good and you do good.
Teach me your statutes!
69 Arrogant people smear my reputation with lies,
but I observe your precepts with all my heart.
70 Their hearts are calloused,
but I find delight in your law.
71 It was good for me to suffer,
so that I might learn your statutes.
72 The law you have revealed is more important to me
than thousands of pieces of gold and silver.
י (Yod)
73 Your hands made me and formed me.
Give me understanding so that I might learn your commands.
74 Your loyal followers will be glad when they see me,
for I find hope in your word.
75 I know, Lord, that your regulations are just.
You disciplined me because of your faithful devotion to me.
76 May your loyal love console me,
as you promised your servant.
77 May I experience your compassion, so I might live!
For I find delight in your law.
78 May the arrogant be humiliated, for they have slandered me!
But I meditate on your precepts.
79 May your loyal followers turn to me,
those who know your rules.
80 May I be fully committed to your statutes,
so that I might not be ashamed.
כ (Kaf)
81 I desperately long for your deliverance.
I find hope in your word.
82 My eyes grow tired as I wait for your promise to be fulfilled.
I say, “When will you comfort me?”
83 For I am like a wineskin dried up in smoke.
I do not forget your statutes.
84 How long must your servant endure this?
When will you judge those who pursue me?
85 The arrogant dig pits to trap me,
which violates your law.
86 All your commands are reliable.
I am pursued without reason. Help me!
87 They have almost destroyed me here on the earth,
but I do not reject your precepts.
88 Revive me with your loyal love,
that I might keep the rules you have revealed.
ל (Lamed)
89 O Lord, your instructions endure;
they stand secure in heaven.
90 You demonstrate your faithfulness to all generations.
You established the earth and it stood firm.
91 Today they stand firm by your decrees,
for all things are your servants.
92 If I had not found encouragement in your law,
I would have died in my sorrow.
93 I will never forget your precepts,
for by them you have revived me.
94 I belong to you. Deliver me!
For I seek your precepts.
95 The wicked prepare to kill me,
yet I concentrate on your rules.
96 I realize that everything has its limits,
but your commands are beyond full comprehension.
מ (Mem)
97 O how I love your law!
All day long I meditate on it.
98 Your commandments make me wiser than my enemies,
for I am always aware of them.
99 I have more insight than all my teachers,
for I meditate on your rules.
100 I am more discerning than those older than I,
for I observe your precepts.
101 I stay away from the evil path,
so that I might keep your instructions.
102 I do not turn aside from your regulations,
for you teach me.
103 Your words are sweeter
in my mouth than honey!
104 Your precepts give me discernment.
Therefore I hate all deceitful actions.
נ (Nun)
105 Your word is a lamp to walk by,
and a light to illumine my path.
106 I have vowed and solemnly sworn
to keep your just regulations.
107 I am suffering terribly.
O Lord, revive me with your word!
108 O Lord, please accept the freewill offerings of my praise!
Teach me your regulations!
109 My life is in continual danger,
but I do not forget your law.
110 The wicked lay a trap for me,
but I do not wander from your precepts.
111 I claim your rules as my permanent possession,
for they give me joy.
112 I am determined to obey your statutes
at all times, to the very end.
113 I hate people with divided loyalties,
but I love your law.
ס (Samek)
114 You are my hiding place and my shield.
I find hope in your word.
115 Turn away from me, you evil men,
so that I can observe the commands of my God.
116 Sustain me as you promised, so that I will live.
Do not disappoint me!
117 Support me, so that I will be delivered.
Then I will focus on your statutes continually.
118 You despise all who stray from your statutes,
for they are deceptive and unreliable.
119 You remove all the wicked of the earth like slag.
Therefore I love your rules.
120 My body trembles because I fear you;
I am afraid of your judgments.
ע (Ayin)
121 I do what is fair and right.
Do not abandon me to my oppressors!
122 Guarantee the welfare of your servant!
Do not let the arrogant oppress me!
123 My eyes grow tired as I wait for your deliverance,
for your reliable promise to be fulfilled.
124 Show your servant your loyal love!
Teach me your statutes!
125 I am your servant. Give me insight,
so that I can understand your rules.
126 It is time for the Lord to act –
they break your law!
127 For this reason I love your commands
more than gold, even purest gold.
128 For this reason I carefully follow all your precepts.
I hate all deceitful actions.
פ (Pe)
129 Your rules are marvelous.
Therefore I observe them.
130 Your instructions are a doorway through which light shines.
They give insight to the untrained.
131 I open my mouth and pant,
because I long for your commands.
132 Turn toward me and extend mercy to me,
as you typically do to your loyal followers.
133 Direct my steps by your word!
Do not let any sin dominate me!
134 Deliver me from oppressive men,
so that I can keep your precepts.
135 Smile on your servant!
Teach me your statutes!
136 Tears stream down from my eyes,
because people do not keep your law.
צ (Tsade)
137 You are just, O Lord,
and your judgments are fair.
138 The rules you impose are just,
and absolutely reliable.
139 My zeal consumes me,
for my enemies forget your instructions.
140 Your word is absolutely pure,
and your servant loves it!
141 I am insignificant and despised,
yet I do not forget your precepts.
142 Your justice endures,
and your law is reliable.
143 Distress and hardship confront me,
yet I find delight in your commands.
144 Your rules remain just.
Give me insight so that I can live.
ק (Qof)
145 I cried out with all my heart, “Answer me, O Lord!
I will observe your statutes.”
146 I cried out to you, “Deliver me,
so that I can keep your rules.”
147 I am up before dawn crying for help.
I find hope in your word.
148 My eyes anticipate the nighttime hours,
so that I can meditate on your word.
149 Listen to me because of your loyal love!
O Lord, revive me, as you typically do!
150 Those who are eager to do wrong draw near;
they are far from your law.
151 You are near, O Lord,
and all your commands are reliable.
152 I learned long ago that
you ordained your rules to last.
ר (Resh)
153 See my pain and rescue me!
For I do not forget your law.
154 Fight for me and defend me!
Revive me with your word!
155 The wicked have no chance for deliverance,
for they do not seek your statutes.
156 Your compassion is great, O Lord.
Revive me, as you typically do!
157 The enemies who chase me are numerous.
Yet I do not turn aside from your rules.
158 I take note of the treacherous and despise them,
because they do not keep your instructions.
159 See how I love your precepts!
O Lord, revive me with your loyal love!
160 Your instructions are totally reliable;
all your just regulations endure.
שׂ/שׁ (Sin/Shin)
161 Rulers pursue me for no reason,
yet I am more afraid of disobeying your instructions.
162 I rejoice in your instructions,
like one who finds much plunder.
163 I hate and despise deceit;
I love your law.
164 Seven times a day I praise you
because of your just regulations.
165 Those who love your law are completely secure;
nothing causes them to stumble.
166 I hope for your deliverance, O Lord,
and I obey your commands.
167 I keep your rules;
I love them greatly.
168 I keep your precepts and rules,
for you are aware of everything I do.
ת (Tav)
169 Listen to my cry for help, O Lord!
Give me insight by your word!
170 Listen to my appeal for mercy!
Deliver me, as you promised.
171 May praise flow freely from my lips,
for you teach me your statutes.
172 May my tongue sing about your instructions,
for all your commands are just.
173 May your hand help me,
for I choose to obey your precepts.
174 I long for your deliverance, O Lord;
I find delight in your law.
175 May I live and praise you!
May your regulations help me!
176 I have wandered off like a lost sheep.
Come looking for your servant,
for I do not forget your commands.