Genesis 24
1 Abraham nu was oud en wel bedaagd; en de HEERE had Abraham in alles gezegend. 2 Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup, 3 Opdat ik u doe zweren bij den HEERE, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaanieten, in het midden van welke ik woon; 4 Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult. 5 En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogen zijt? 6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt!
7 De HEERE, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. 8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen. 9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.
10 En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamie, naar de stad van Nahor. 11 En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen. 12 En hij zeide: HEERE! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer. 13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten; 14 Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.
15 En het geschiedde, eer hij geeindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuel geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder. 16 En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op. 17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uw kruik drinken. 18 En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haar hand, en gaf hem te drinken. 19 Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken. 20 En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen. 21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet. 22 En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds. 23 Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten? 24 En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuel, den zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft. 25 Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeders bij ons, ook plaats om te vernachten. 26 Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den HEERE; 27 En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de HEERE heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen. 28 En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren.
29 En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot dien man naar buiten tot de fontein. 30 En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein. 31 En hij zeide: Kom in, gij, gezegende des HEEREN! waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.
32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten der mannen, die bij hem waren. 33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek! 34 Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham; 35 En de HEERE heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kemelen, en ezelen. 36 En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft. 37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaanieten, in welker land ik wone; 38 Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen! 39 Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen. 40 En hij zeide tot mij: De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis. 41 Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed. 42 En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O, HEERE! God van mijn heer Abraham! zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op welke ik ga; 43 Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig waters te drinken uit uw kruik; 44 En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uw kemelen putten; dat deze die vrouw zij, die de HEERE aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen. 45 Eer ik geeindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken! 46 Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen. 47 Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Bethuel, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo leide ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen; 48 En ik neigde mijn hoofd, en aanbad den HEERE; en ik loofde den HEERE, den God van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter des broeders van mijn heer voor zijn zoon te nemen. 49 Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechter hand of ter linkerhand wende. 50 Toen antwoordde Laban, en Bethuel, en zeiden: Van den HEERE is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken. 51 Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de HEERE gesproken heeft! 52 En het geschiedde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor den HEERE. 53 En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en klederen, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar moeder kostelijkheden.
54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten, en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer! 55 Toen zeide haar broeder, en haar moeder: Laat de jonge dochter enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan. 56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de HEERE mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga. 57 Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen. 58 En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken. 59 Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen. 60 En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!
61 En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.
62 Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland. 63 En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen! 64 Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af. 65 En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluier, en bedekte zich. 66 En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had. 67 En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.
Genesis 25
1 En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura. 2 En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. 3 En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. 4 En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.
5 Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had. 6 Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten. 7 Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren. 8 En Abraham gaf den geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. 9 En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is; 10 In den akker, dien Abraham van de zonen Heths gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw.
11 En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij den put Lachai-roi.
12 Dit nu zijn de geboorten van Ismael, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft. 13 En dit zijn de namen der zonen van Ismael, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismael, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, 14 En Misma, en Duma, en Massa, 15 Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma. 16 Deze zijn de zonen van Ismael, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken. 17 En dit zijn de jaren des levens van Ismael, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken. 18 En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.
19 Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak. 20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuel, den Syrier, uit Paddan-aram, de zuster van Laban, den Syrier, zich ter vrouw nam. 21 En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. 22 En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen. 23 En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.
24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau. 26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon. 27 Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten. 28 En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief.
29 En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede. 30 En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom. 31 Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte. 32 En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? 33 Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte. 34 En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
Genesis 26
1 En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2 En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; 3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. 4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, 5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.
6 Alzo woonde Izak te Gerar. 7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht. 8 En het geschiedde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw. 9 Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve. 10 En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben. 11 En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!
12 En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem. 13 En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. 14 En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. 15 En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde. 16 Ook zeide Abimelech tot Izak: Trek van ons; want gij zijt veel machtiger geworden, dan wij.
17 Toen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar. 18 Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had. 19 De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een put van levend water. 20 En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij den naam van dien put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden. 21 Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij deszelfs naam Sitna. 22 En hij brak op van daar, en groef een anderen put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij deszelfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de HEERE ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land. 23 Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba. 24 En de HEERE verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. 25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.
26 En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste. 27 En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden? 28 En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de HEERE met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken: 29 Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN! 30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken. 31 En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede. 32 En het geschiedde ten zelfden dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. 33 En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op dezen dag.
34 Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beeri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet. 35 En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes.
Achi
Achuar
Afrikaans
- ABD07-AF Bybel vir almal
- AFR53-AF 1933/1953 Translation
- AFR83 Afrikaans 1983 Translation
- DB Die Boodskap
- NLV Nuwe Lewende Vertaling
العربية
- AVD-AR New Van Dyck Bible
- AVDRV-AR New Van Dyck Bible (Reduced Vocalization without Helps)
- GNA93-AR Good News Arabic Bible
- NAV كتاب الحياة
- SAB الكتاب الشريف
- WBAR Arabic Bible
Waimaha
Batak Toba
български език
বাংলা
Biatah
Simalungun
Batak Karo
Cebuano
Church Slavonic
česky
Dansk
Deutsch
- DELUT Luther Bible 1912
- ELB Elberfelder 1905
- ELB71 Elberfelder 1871
- GANTP Albrecht NT und Psalmen
- HFA Hoffnung für Alle
- NGU2011-DEU Neue Genfer Übersetzung
- SCH2000-DEU Schlachter 2000
- SCH51 Schlachter 1951
Dusun
English
- ASV American Standard Version
- BOOKS-ENG The Books of the Bible NT
- AMP Amplified Bible
- CEB Common English Bible
- CEV Contemporary English Version
- CPDV Catholic Public Domain Version
- DRA Douay Rheims
- ESV English Standard Version
- GNT Good News Translation
- GNTD English Good News Translation
- GWT GOD'S WORD Translation
- HCSB Holman Christian Standard Bible
- KJV King James Version
- LEB Lexham English Bible
- MSG The Message
- NASB New American Standard Bible
- NCV New Century Version
- NET New English Translation
- NIRV-ENG New International Reader's Version
- NIV NIV
- NIV84 NIV 1984
- NIVUK New International Version Anglicized
- NKJV New King James Version
- NLT New Living Translation
- OJB Orthodox Jewish Bible
- TNIV TNIV
- WEB World English Bible
Español
- BLPH-ES La Palabra (versión hispanoamericana)
- DHH Dios Habla Hoy Con Deuterocanόnicos
- DHHE-ES Dios Habla Hoy (versión española)
- LBLA La Biblia de las Americas
- NBLH Nueva Biblia Latinoamericana de Hoy
- NVI Nueva Version Internacional
- NTV Nueva Traducciόn Viviente
- RVC Reina Valera Contemporánea
- RVES Reina-Valera Antigua
- RVR60 Reina-Valera 1960
- RVR60-ES Biblia Reina Valera 1960
- RVR95 Reina Valera 1995
- TLA Traducciόn En Lenguaje Actual
- TLAD Traducciόn En Lenguaje Actual con Deuterocanónicos
- WBES Spanish NT
Euskara
- BHNT Navarro-Labourdin Basque NT
- EAB-EU Elizen Arteko Biblia (Biblia en Euskara, Traducción Interconfesional)
فارسی
Suomi
Français
- BDS La Bible Du Semeur
- FMAR Martin 1744
- FRC97-FR La Bible en français courant
- FRDBY Bible Darby en français
- LSG-FR Bible Segond 1910
- NBS-FR Nouvelle Bible Segond
- NEG79 Nouvelle Edition de Genève 1979
- OST Ostervald
- PDV-FR Bible Parole de Vie
- S21 Bible Segond 21
Guaraní
Ancient Greek
- SBLG SBL Greek New Testament
- TGV-GRC Η Αγία Γραφή (Παλαιά και Καινή Διαθήκη)
- TR1624 Elzevir Textus Receptus 1624
- TR1894 Scrivener’s Textus Receptus 1894
Hausa
עִבְרִית
Hiligaynon
Hrvatski
Magyar
Hawai`i Pidgin
Հայերեն
Iban
Bahasa Indonesia
Igbo
Italiano
- DO885-IT Diodati Bible
- IGD Giovanni Diodati Bibbia
- ITRIV Italian Riveduta 1927
- LM La Parola è Vita
- NR06-ITA Nuova Riveduta 2006
- NR94 Nuova Riveduta 1994
- RDV24-IT Versione Diodati Riveduta
日本語
ភាសាខ្មែរ
한국어
Lahu
Malagasy
te reo Māori
Li Niha
Nederlands
Norsk: nynorsk
Norsk: bokmål
- BM11-NO Bibelen 2011 bokmål
- NLBNT En Levende Bok: Det Nye Testamentet
- BM85-NO Bibelen 1978/85 bokmål
- NB Norsk Bibel 88/07
- NORSK Det Norsk Bibelselskap 1930
Sotho, Northern
Polski
Penan
Potawatomi
Português
- ARC Tradução Revista e Corrigida de João Ferreira de Almeida
- NTLH Tradução na Linguagem de Hoje
- NVI-POR Nova Versão Internacional
- TB-POR Tradução Brasileira (A Brazilian Translation), 2nd edition
- WBPT Brazilian Portuguese NT
Quichua-Chimborazo
Română
- NTR Noua Traducere în limba Română
- VDC Versiunea Dumitru Cornilescu
- VDCC Versiunea Dumitru Cornilescu Corectată
Pyccкий
- RSZ Slovo Zhizny
- RUVZ Russian New Testament by Victor R. Zhuromsky
- SYNO-RU Синодальный перевод
- WBRU Russian New Testament
Toraja
Slovenčina
Shona
Somali
Shqip
српски
Svenska
- BSV Nya Levande Bibeln
- SB00-SV Swedish, Translation 2000
- SFB Svenska Folkbibeln
- SK73 Karl XII 1873
- SVEN Svenska 1917
Kiswahili
ภาษาไทย
- TNCV-THA พระคริสตธรรมคัมภีร์อมตธรรมร่วมสมัย
- THSV Thai Standard Version Revision
- TKJV พระคัมภีร์ภาษาไทยฉบับ KJV
- WBTH Thai New Testament
Murut Timungon
Tagalog
Tswana
Tsonga
Türkçe
українська
- UBIO Біблія в пер. Івана Огієнка, 1962
- UKRK Біблія в пер. П.Куліша та І.Пулюя, 1905
- WBUK Ukrainian New Testament
اردو
Tiếng Việt
- BD2011-VIE Ban Dich 2011
- RVV11-VI Revised Vietnamese Version Bible
- VI1934 1934 Vietnamese Bible
- WBVI Vietnamese NT
èdèe Yorùbá
简体中文
繁體中文
Zokam
Book
Chapter
Achi
Achuar
Afrikaans
- ABD07-AF Bybel vir almal
- AFR53-AF 1933/1953 Translation
- AFR83 Afrikaans 1983 Translation
- DB Die Boodskap
- NLV Nuwe Lewende Vertaling
العربية
- AVD-AR New Van Dyck Bible
- AVDRV-AR New Van Dyck Bible (Reduced Vocalization without Helps)
- GNA93-AR Good News Arabic Bible
- NAV كتاب الحياة
- SAB الكتاب الشريف
- WBAR Arabic Bible
Waimaha
Batak Toba
български език
বাংলা
Biatah
Simalungun
Batak Karo
Cebuano
Church Slavonic
česky
Dansk
Deutsch
- DELUT Luther Bible 1912
- ELB Elberfelder 1905
- ELB71 Elberfelder 1871
- GANTP Albrecht NT und Psalmen
- HFA Hoffnung für Alle
- NGU2011-DEU Neue Genfer Übersetzung
- SCH2000-DEU Schlachter 2000
- SCH51 Schlachter 1951
Dusun
English
- ASV American Standard Version
- BOOKS-ENG The Books of the Bible NT
- AMP Amplified Bible
- CEB Common English Bible
- CEV Contemporary English Version
- CPDV Catholic Public Domain Version
- DRA Douay Rheims
- ESV English Standard Version
- GNT Good News Translation
- GNTD English Good News Translation
- GWT GOD'S WORD Translation
- HCSB Holman Christian Standard Bible
- KJV King James Version
- LEB Lexham English Bible
- MSG The Message
- NASB New American Standard Bible
- NCV New Century Version
- NET New English Translation
- NIRV-ENG New International Reader's Version
- NIV NIV
- NIV84 NIV 1984
- NIVUK New International Version Anglicized
- NKJV New King James Version
- NLT New Living Translation
- OJB Orthodox Jewish Bible
- TNIV TNIV
- WEB World English Bible
Español
- BLPH-ES La Palabra (versión hispanoamericana)
- DHH Dios Habla Hoy Con Deuterocanόnicos
- DHHE-ES Dios Habla Hoy (versión española)
- LBLA La Biblia de las Americas
- NBLH Nueva Biblia Latinoamericana de Hoy
- NVI Nueva Version Internacional
- NTV Nueva Traducciόn Viviente
- RVC Reina Valera Contemporánea
- RVES Reina-Valera Antigua
- RVR60 Reina-Valera 1960
- RVR60-ES Biblia Reina Valera 1960
- RVR95 Reina Valera 1995
- TLA Traducciόn En Lenguaje Actual
- TLAD Traducciόn En Lenguaje Actual con Deuterocanónicos
- WBES Spanish NT
Euskara
- BHNT Navarro-Labourdin Basque NT
- EAB-EU Elizen Arteko Biblia (Biblia en Euskara, Traducción Interconfesional)
فارسی
Suomi
Français
- BDS La Bible Du Semeur
- FMAR Martin 1744
- FRC97-FR La Bible en français courant
- FRDBY Bible Darby en français
- LSG-FR Bible Segond 1910
- NBS-FR Nouvelle Bible Segond
- NEG79 Nouvelle Edition de Genève 1979
- OST Ostervald
- PDV-FR Bible Parole de Vie
- S21 Bible Segond 21
Guaraní
Ancient Greek
- SBLG SBL Greek New Testament
- TGV-GRC Η Αγία Γραφή (Παλαιά και Καινή Διαθήκη)
- TR1624 Elzevir Textus Receptus 1624
- TR1894 Scrivener’s Textus Receptus 1894
Hausa
עִבְרִית
Hiligaynon
Hrvatski
Magyar
Hawai`i Pidgin
Հայերեն
Iban
Bahasa Indonesia
Igbo
Italiano
- DO885-IT Diodati Bible
- IGD Giovanni Diodati Bibbia
- ITRIV Italian Riveduta 1927
- LM La Parola è Vita
- NR06-ITA Nuova Riveduta 2006
- NR94 Nuova Riveduta 1994
- RDV24-IT Versione Diodati Riveduta
日本語
ភាសាខ្មែរ
한국어
Lahu
Malagasy
te reo Māori
Li Niha
Nederlands
Norsk: nynorsk
Norsk: bokmål
- BM11-NO Bibelen 2011 bokmål
- NLBNT En Levende Bok: Det Nye Testamentet
- BM85-NO Bibelen 1978/85 bokmål
- NB Norsk Bibel 88/07
- NORSK Det Norsk Bibelselskap 1930
Sotho, Northern
Polski
Penan
Potawatomi
Português
- ARC Tradução Revista e Corrigida de João Ferreira de Almeida
- NTLH Tradução na Linguagem de Hoje
- NVI-POR Nova Versão Internacional
- TB-POR Tradução Brasileira (A Brazilian Translation), 2nd edition
- WBPT Brazilian Portuguese NT
Quichua-Chimborazo
Română
- NTR Noua Traducere în limba Română
- VDC Versiunea Dumitru Cornilescu
- VDCC Versiunea Dumitru Cornilescu Corectată
Pyccкий
- RSZ Slovo Zhizny
- RUVZ Russian New Testament by Victor R. Zhuromsky
- SYNO-RU Синодальный перевод
- WBRU Russian New Testament
Toraja
Slovenčina
Shona
Somali
Shqip
српски
Svenska
- BSV Nya Levande Bibeln
- SB00-SV Swedish, Translation 2000
- SFB Svenska Folkbibeln
- SK73 Karl XII 1873
- SVEN Svenska 1917
Kiswahili
ภาษาไทย
- TNCV-THA พระคริสตธรรมคัมภีร์อมตธรรมร่วมสมัย
- THSV Thai Standard Version Revision
- TKJV พระคัมภีร์ภาษาไทยฉบับ KJV
- WBTH Thai New Testament
Murut Timungon
Tagalog
Tswana
Tsonga
Türkçe
українська
- UBIO Біблія в пер. Івана Огієнка, 1962
- UKRK Біблія в пер. П.Куліша та І.Пулюя, 1905
- WBUK Ukrainian New Testament
اردو
Tiếng Việt
- BD2011-VIE Ban Dich 2011
- RVV11-VI Revised Vietnamese Version Bible
- VI1934 1934 Vietnamese Bible
- WBVI Vietnamese NT