Psalm 39
1 I said, I will take heed to my ways, That I sin not with my tongue: I will keep my mouth with a bridle, While the wicked is before me.
2 I was dumb with silence, I held my peace, even from good; And my sorrow was stirred.
3 My heart was hot within me; While I was musing the fire burned: Then spake I with my tongue:
4 Jehovah, make me to know mine end, And the measure of my days, what it is; Let me know how frail I am.
5 Behold, thou hast made my days as handbreadths; And my life-time is as nothing before thee: Surely every man at his best estate is altogether vanity. Selah
6 Surely every man walketh in a vain show; Surely they are disquieted in vain: He heapeth up riches, and knoweth not who shall gather them.
7 And now, Lord, what wait I for? My hope is in thee.
8 Deliver me from all my transgressions: Make me not the reproach of the foolish.
9 I was dumb, I opened not my mouth; Because thou didst it.
10 Remove thy stroke away from me: I am consumed by the blow of thy hand.
11 When thou with rebukes dost correct man for iniquity, Thou makest his beauty to consume away like a moth: Surely every man is vanity. Selah
12 Hear my prayer, O Jehovah, and give ear unto my cry; Hold not thy peace at my tears: For I am a stranger with thee, A sojourner, as all my fathers were.
13 Oh spare me, that I may recover strength, Before I go hence, and be no more.
Psalmen 39
1 Een psalm van David voor de koordirigent. Voor Jeduthun.
2 Ik was van plan zorgvuldig te leven
en ook in mijn spreken niet te zondigen. Ik wilde mijzelf in bedwang houden, zolang ongelovigen op mij letten.
3 Ik zweeg en sprak geen woord,
ik hield mijn mond en zei zelfs geen goede dingen. Mijn zorgen en problemen werden alleen maar groter.
4 Het verteerde mij van binnen.
Als ik zuchtte, laaide alles weer op. Toen sprak ik wel.
5 HERE, laat mij toch zien hoe het met mij afloopt,
hoelang ik nog te leven heb. Toon mij maar dat ik eigenlijk niets voorstel.
6 Want voor U is mijn leven niet langer dan enkele decimeters.
Mijn leven stelt in uw ogen niets voor. Ieder mens is maar een ademtocht.
7 Een mens gaat voorbij als een schaduw,
als een zuchtje wind vliegt zijn leven weg. Mensen verzamelen van alles, maar beseffen niet dat anderen het na hun dood zullen nemen.
8 Maar wat heb ik te verwachten, Here?
Ik vertrouw geheel op U.
9 Vergeef mij al mijn zonden,
laten de dwazen niet over mij spotten.
10 Ik kan niet spreken, ik zeg niets.
Want U hebt alles voor mij gedaan.
11 Neem al dit lijden van mij af,
ik zal sterven als U Zich tegen mij verzet.
12 Als U iemand straft voor zijn zonden,
vergaat alles wat hem tot aanzien bracht, net zoals een mot een kledingstuk vernielt. Een mens is immers niets meer dan een ademtocht.
13 HERE, luister toch naar mijn bidden
en hoor mijn smeken om hulp. Blijf niet zwijgen als ik moet huilen, want dan voel ik mij een vreemde bij U. Ver van U zoals mijn voorouders.
14 Neem uw straf van mij af,
zodat ik weer blij door het leven kan gaan, voor ik sterf en niet meer zal bestaan.