Psalm 90
1 Lord, thou hast been our dwelling-place In all generations.
2 Before the mountains were brought forth, Or ever thou hadst formed the earth and the world, Even from everlasting to everlasting, thou art God.
3 Thou turnest man to destruction, And sayest, Return, ye children of men.
4 For a thousand years in thy sight Are but as yesterday when it is past, And as a watch in the night.
5 Thou carriest them away as with a flood; they are as a sleep: In the morning they are like grass which groweth up.
6 In the morning it flourisheth, and groweth up; In the evening it is cut down, and withereth.
7 For we are consumed in thine anger, And in thy wrath are we troubled.
8 Thou hast set our iniquities before thee, Our secret sins in the light of thy countenance.
9 For all our days are passed away in thy wrath: We bring our years to an end as a sigh.
10 The days of our years are threescore years and ten, Or even by reason of strength fourscore years; Yet is their pride but labor and sorrow; For it is soon gone, and we fly away.
11 Who knoweth the power of thine anger, And thy wrath according to the fear that is due unto thee?
12 So teach us to number our days, That we may get us a heart of wisdom.
13 Return, O Jehovah; how long? And let it repent thee concerning thy servants.
14 Oh satisfy us in the morning with thy lovingkindness, That we may rejoice and be glad all our days.
15 Make us glad according to the days wherein thou hast afflicted us, And the years wherein we have seen evil.
16 Let thy work appear unto thy servants, And thy glory upon their children.
17 And let the favor of the Lord our God be upon us; And establish thou the work of our hands upon us; Yea, the work of our hands establish thou it.
Psalmen 90
1 Deze psalm is een gebed van Mozes, de vriend van God.
Here, van generatie op generatie hebben wij onze hulp en kracht bij U gezocht.
2 Al voordat U de bergen schiep,
was U God. Voordat U de aarde schiep, was U God. Vanuit de eeuwigheid van oudsher tot in de eeuwigheid in de verre toekomst, bent U God.
3 U laat de mens sterven
en vergaan tot stof. U zegt: ‘Word weer stof, mensenkinderen.’
4 Duizend jaar
betekenen niets voor U, zij zijn voor U als wat een dag is voor ons, voor U zijn ze in een oogwenk voorbij.
5 Jaren gaan aan U voorbij
als een kort moment van insluimeren bij het ontwaken ’s morgens, als gras dat snel groeit.
6 ’s Morgens groeit en bloeit het nog
en ’s avonds verdort het alweer.
7 Precies zo vergaat het ons
als uw toorn over ons komt. Deze vernietigt ons.
8 U ziet onze zonden scherp voor U.
Onze meest verborgen zonden komen bij U aan het licht.
9 Zo eindigt ons leven
onder uw boosheid. De jaren van ons leven gaan als een zucht voorbij.
10 Onze gemiddelde leeftijd
is zeventig jaar. Alleen de zeer sterke mensen worden tachtig jaar. Alles waarop wij trots waren, blijkt toch alleen maar moeite en verdriet met zich mee te brengen. Het leven vliegt voorbij en voor we het weten zijn we gestorven.
11 Wie kent de kracht van uw toorn
en de omvang van uw ergernis?
12 O God, leer ons zo te leven
dat wij ons uiteindelijk de wijsheid eigen maken.
13 Kom toch terug, HERE!
Hoe lang moet het nog duren? Heb toch medelijden met uw dienaren.
14 Laat ons ’s morgens vroeg al
uw goedheid en liefde mogen ervaren, dan zullen wij juichen en elke dag met blijdschap beleven.
15 Geef ons blijdschap naar de mate
waarin wij moeite en verdriet hebben gekend. Zovele jaren waren vol zorg en verdrukking.
16 Laat uw dienaren uw werken zien,
ik bid dat hun kinderen uw majesteit mogen aanschouwen.
17 HERE, onze God,
stort uw liefdevolle vriendelijkheid over ons uit. Zegen het werk dat wij doen. Ja, wij bidden U om uw zegen over alles wat wij ondernemen.